donderdag 18 januari 2018

Terug naar IJmuiden

Terug naar IJmuiden, want .. Nou ja, daarover straks. Eerst een rustige ochtend in de duinen. Het was stil in de duinen, soms. Soms kon je er als het ware een speld horen vallen. Nou ja, meestal niet hoor, meestal kwam er wel een groep joggers voorbij of een paar racefietsers, allemaal druk bezig de vele de voorbije week op bureaustoelen doorgebrachte uren te compenseren, maar daarbuiten was het stil. Het zachte geruis van de wind en zachte roepjes van glanskop of goudhaan, meer niet. Rondom stonden af en toe sprookjesachtige boomwezens toe te kijken. Roerloos, in elk geval op de momenten dat ik keek. Het opmerkelijkst was een groepje boomleeuweriken dat roepend uit de berm van het fietspad opvloog. Was nog nieuw voor de jaarlijst, wat op 14 januari natuurlijk nog niet heel opmerkelijk is.

Vanmiddag was het minder rustig.
Vorige week was ik ook al in IJmuiden. Met de vogelwacht hadden we toen de jaarlijkse nieuwjaarsexcursie. Op de zuidpier was het toen als ik eerlijk ben behoorlijk saai. Helemaal geen genten boven zee, geen zeekoeten, voor de zoveelste keer geen kuifali, alleen maar vaste waarden als paarse strandloper, sneeuwgors en oeverpieper, al lieten die zich toen wel heel mooi zien.
Ja, ik weet het, het zullen je zorgen maar zijn …
Omdat afgelopen week van de pier ineens wel allerlei spannends werd gemeld, besloot ik nog maar een keertje te gaan. En dat betaalde zich in zekere zin in klinkende munt uit. Kuifaalscholver, dit keer wel, zwarte zeekoet, parelduiker, alk: vrijwel alle goede soorten die er vandaag te halen vielen, haalde ik. Maar dat klinkt mooier dan het in werkelijkheid was, want moeizaam was het wel, het was werken en de opbrengst was in kwalitatieve zin nogal mager. Kuifali vloog al weg toen ik ‘m amper een halve minuut in beeld had, en parelduiker en zwarte zeekoet (nee, zojuist weggevlogen, werd me gezegd door enkele terugkerende vogelaars) waren slechts af en toe, na naarstig zoeken, ternauwernood zichtbaar aan de overkant nabij de noordpier. (Ja, ik weet het, het zullen je zorgen maar zijn …) Geen waarnemingen die je lang gaan bijblijven. Alk was wel heel aardig: die zwom ongeveer midden tussen de pieren (misschien nog wel dichterbij want dat is altijd nogal bedrieglijk) en was daardoor goed als zodanig herkenbaar. En omdat ik eigenlijk maar vrij zelden alken zie, anders dan langs vliegend en dan moeizaam via reductie en deductie op naam gebracht, was dat toch wel een moment dat me nog enige tijd zal bijblijven. De meeste indruk maakten enkele wat gewonere soorten. Vooral de jan van genten waren prachtig. Geregeld vlogen die over zee of zaten op zee, soms met meer dan tien tegelijk. Ook de zeekoeten waren leuk. De meeste vlogen vrij ver over zee maar een enkeling dreef dicht bij de pier op de golven. Je hoefde je, in tegenstelling tot vorige week, vandaag dus geen moment te vervelen. Saai was het allerminst.

14 januari 2018




dinsdag 9 januari 2018

Sprookjes

Soms moet je eens iets geks doen. Zo gingen wij dus vier dagen naar de Efteling. Vier dagen, ja. Naar de Efteling! Is één dagje Efteling niet al een beproeving? En dat vier dagen?
En toch hè, en toch …
Droomvluchtje, Vogel Rok, Villa Volta, Sprookjesbos, Droomvluchtje, Symbolica, Pagode, Carnaval Festival, Sprookjesbos, Diorama, Fata Morgana, Villa Volta, Symbolica, Droomvluchtje, Pagode, Fata Morgana, Symbolica, Sprookjesbos, Spookslot, Villa Volta, Droomvluchtje, Droomvluchtje, Droomvluchtje, Panda Droom, Fata Morgana, Joris & de Draak. Van de volgorde ben ik niet helemaal zeker. Van de rest ook niet trouwens, misschien heb ik het wel allemaal gedroomd, vier dagen lang. En intussen gaat natuurlijk de meeste tijd op aan wachten. Wachten, wachten en nog eens wachten, zelfs als je een geprivilegieerde langverblijver bent. Wachten temidden van al die sprookjeskastelen en spookburchten en omringd, behalve natuurlijk door de menigte, door koningen en prinsessen, trollen en dwergen, steltdansers, elfjes en heksen en lakeien en negerhoofdmannen (oei, mag ik dat wel zeggen? Hele echte met zwarte gezichten en dikke lippen en botjes door hun neus. Bij hedendaagse meiden kun je nog spreken van hippe piercings maar bij een negerhoofdman is dat toch anders), draken en drakenrijders en wat al niet. Overdag bij grijs miezerlicht maar ’s avonds in betoverend sprookjeslicht zodat je je ver van de grote mensenwereld waande. En daar is het natuurlijk allemaal om te doen: dat we ons voor even ver van de grote mensenwereld kunnen wanen, ver van Trump en zijn tweets, ver van Rutte en zijn gave Nederland, ver van de baas en het werk, (niet zo heel) ver van de Zwarte Pietendiscussie en ver, heel ver van maandagochtend. Voor zolang bevind je je zelf in de sprookjes die je omgeven, maak je deel uit van één groot sprookje. Natuurlijk, het is allemaal namaak, allemaal kitsch. Al die kastelen en paleizen, die torens en die galerijen, ze komen niet uit het verre oosten en niet uit het wilde westen, ze zijn niet ouder dan twintig, misschien dertig jaar en ze zijn neergezet met als enig doel ons te behagen, ons te betoveren en uiteindelijk om ons ons geld uit de zak te kloppen. Maar als je er toch vier dagen bent, kun je je maar beter aan die kitsch en aan dat sprookje overgeven, anders is het zonde van je tijd en zonde van je geld, en dan kun je daar, als je er een beetje je best voor doet en een paar dagen lang het kind in je loslaat, ook erg van genieten. Ik in elk geval wel. Al moet je ook wel oppassen dat je er niet knettergek van wordt, van al die elfjes en lakeien, die prinsen en prinsessen en die hofdames en die voortdurend langs waaiende zoete sprookjesdeuntjes. Gelukkig konden we ons af en toe naar behoefte (bij sommigen was die behoefte sterker dan bij anderen) terugtrekken uit deze sprookjeswereld en ons voor enige tijd begeven in de stille wereld buiten de hekken. Wereld van velden en akkers, woeste gronden en bossen, groene specht en kuifmees. En vooral, één middag lang, in de wereld van bos en hei en stuifzand van de Loonse en Drunense Duinen. Hoe ver weg is daar de Efteling, hoewel zelfs zowat midden in de duinen af en toe een windvlaag flarden meevoerde van het fluiten van de stoomtrein of het gillen van de kinderen die in de Baron in een karretje hoog boven de afgrond worden vastgehouden voor ze in bijna vrije val worden neergelaten in een woeste wenteling van looping en schroef. Hier in de verder stille duinen keek ik in de oranje ogen van een half slapende ransuil boven me, bijna ook een sprookjesfiguur en de soort van de week leek me, als we Rok niet meetellen.

5 januari 2018












maandag 25 december 2017

Siberische boompieper bij Wageningen

Een man of tien in een slordige kring turend naar een ruige plek met laag woekerende braamstrengen aan hun voeten, in de vaste overtuiging dat zich ergens daar voor hen een siberische boompieper schuilhoudt: het kon zo uit een cartoonstripboek afkomstig zijn. Na misschien wel een half uur (en dan reken ik vanaf het moment dat ik me bij het gezelschap voegde) wordt besloten de plek toch maar grondig uit te kammen. Ach, er was daar toch niets dat we verstoren konden en die bramen, die kunnen wel wat hebben. Trouwens, menig terreinbeheerder zou alleen maar blij zijn als een bende vogelaars de bramen een beetje kwam korthouden, wat ons trouwens niet gelukt is want die bramen, die kunnen wel wat hebben. Nee, sibopi moesten we toch elders zien terug te vinden. En zo dreigde een herhaling van gisteren, toen ik met een paar handen vol andere vogelaars een uur of langer met mijn dagelijkse schoenen had lopen rondbanjeren door modder, door drassig grasland en door plassen met als enig resultaat, afgezien van natte voeten, enkele keren een meest zwijgzaam opvliegende pieper die bij neerstrijken meteen weer in de vegetatie verdween en onvindbaar was tot het moment dat we ondanks onze voorzichtigheid toch te dichtbij waren gekomen en hij weer opvloog om verderop weer spoorloos te verdwijnen. Wat op zichzelf overigens een aardig determinatiekenmerk is. Nee, dit leek me geen graspieper. Maar eigenlijk was ik al te laat: het was zo’n grijze middag dat het al om 3 uur bijna begint te schemeren en kort voor 4 uur zocht de vogel, veronderstelden we, zijn slaapplaats op. Hij vloog in elk geval, net als de dag tevoren gebeurd was, hoog de wijk in.
Dat moest beter kunnen.

Vandaag was er veel anders. Vandaag was ik er al om half 12. Vandaag was ik met kaplaarzen. En vandaag was de vogel verre van zwijgzaam. Toen we hem enige tijd later honderd meter verderop terugvonden, vloog hij luid roepend op. Verderop hetzelfde en daarna nog een keer. Steeds hoorden we luid en duidelijk die roep en dat was prettig want ik denk niet dat ik ooit eerder siberische boompieper live langer dan een halve tel heb gehoord. En siberische boompieper kun je niet vaak genoeg horen roepen want die roep is lastig te onderscheiden van onze boompieper. Al heb ik altijd gevonden dat het kan, ook in het veld en ook zonder sonogram. Dat het geluid hoger van toon is, nee, ik geloof niet dat je dat kunt horen zonder directe vergelijking. Maar het roepje is minder strak, is iets explosiever en heeft een wat dalend en afzwakkend verloop. Een heel klein beetje als roodkeelpieper maar dan heel anders. Nou ja, dat moet je horen, en juist daarom zo leerzaam dus.
Maar het belangrijkste verschil (voor mij) met gisteren was wel, dat sibopi zich vandaag enkele keren geweldig liet zien. Twee keer ging-ie een tijdje zitten rusten in een knotwilgje. De eerste keer was-ie daarbij mooi te zien, de tweede keer was-ie fantastisch. Vrij zichtbaar in de kale takken bleef-ie zo lang zitten, dat ik rustig de telescoop kon richten en alle relevante kenmerken zich aan me onthulden. De markante koptekening met het opvallende vlekje op de achterwang, en de wat olijfkleurige en zwak getekende rug, ze waren overduidelijk. Kijk, en daar was ik dus voor teruggekomen. Missie geslaagd!

24 december 2017







woensdag 20 december 2017

Pietersberg

Ik had het alweer een paar jaar niet meer gedaan, dus of ik het nog zou kunnen? Fietsend de Pietersberg op: een paar jaar geleden deed ik het nog. Met moeite hoor. In het begin lijkt het nog mee te vallen, maar op het eind, ja op het eind wil je het niet meer opgeven natuurlijk. Je gaat nog liever dood, daar op de flanken van Limburgs heuvelland. Maar inmiddels waren we dus een paar jaar verder, was ik alweer een paar jaar ouder en eerlijk gezegd, vrees ik, misschien ook wel een paar jaar zwaarder. Dus of het nog zou lukken?
Nou, het is gelukt, kan ik u, niet zonder gepaste trots, mededelen. In het begin leek het nog mee te vallen, maar op het eind, ja op het eind wilde ik het niet meer opgeven natuurlijk. Ik ging nog liever dood, daar op de flanken van Limburgs heuvelland. Buiten adem, de koude lucht raspend door mijn luchtpijp maar levend! stond ik bovenop de Pietersberg. En geen voetje aan de vloer onderweg. Dat kon Renske, toch bijna 35 jaar jonger, me niet navertellen. Of dat was omdat ze niet kon, of omdat ze er geen zin in had, moet u haar maar vragen.
Een oplettende lezer herkent hier natuurlijk de mannelijke streberigheid. Uitsloverij, meer is het niet. Ik was gewoon het alfamannetje dat zich niet wil laten kennen, dat zich op de borst wil kloppen. Want je schiet er niks mee op, met de Pietersberg op fietsen, je bent er niets sneller door want toen ik nog amechtig stond uit te hijgen kwam Renske al kalmpjes met de fiets aan de hand aangelopen. Geen centje pijn. Hoe dan ook, het ware loon naar werken bleef uit: oehoe vandaag onvindbaar, behalve een houten exemplaar bij het uitkijkpunt. Maar ook zonder oehoe is de klim naar de Pietersberg natuurlijk de moeite waard. Want die uitzichten! Het is een cliché maar toch ook een beetje waar: je waant je in het buitenland. Aan de ene kant zicht in het klassieke, lieflijk glooiende Limburgse heuvelland, het fraaie kasteel Neerkanne aan de voet van de helling. Aan de andere kant zicht in die open wond, in die holle kies in het mergelland. Steile wanden, kaal gesteente, diepe grotten en op de bodem diepblauwe waterplassen. Hoe je er ook over denkt, het ziet er indrukwekkend uit. En inmiddels al bijna helemaal teruggegeven aan de natuur: de ENCI is bezig zich hier terug te trekken en Natuurmonumenten is vanaf nu vormgever van dit landschap. In het eeuwige dilemma economie versus natuur trekt dus voor één keer natuur aan het langste eind. Nou ja, nadat economie ook hier tientallen jaren de bovenliggende partij is geweest. Uiteindelijk trekt natuur natuurlijk altijd aan het langste eind, of we willen of niet.
Ook nog naar de Kleine Weerd geweest, een rivieroeverreservaatje zo’n beetje midden in Maastricht. Leuk gebiedje, met oude rivierlopen, verruigde oevers en een langgerekt eiland vol bosjes en struikgewas en rommelige velden vol uitgebloeide ruigtekruiden. Langs de oevers hadden bevers hun sporen nagelaten: van heel wat boompjes was aan de voet de stam bijna tot helemaal doorgeknaagd. Sommige stammen lagen dwars over het pad of hingen in de armen van buurman of vrouw. Van de bevers zelf verder geen spoor.



16 december 2017








zondag 26 november 2017

Op avontuur in de natuur

Terminals, fabriekshallen, hangars, start- en landingsbanen. Verkeerstorens en radio-zendmasten. Beton, beton en nog eens beton, en staal, en glas. En overal hoge hekken, kilometers en kilometers hekken. Daartussen uitgestrekte grasvlaktes. En vliegtuigen, overal vliegtuigen. Alles trouwens onder prachtige buienluchten van buien die niet vielen vandaag, in elk geval niet waar ik was. Ingeklemd tussen snelwegen, volg ik Google maps dat me op miraculeuze wijze over, langs en/of tussen Schiphol door vanaf het NS-station manoeuvreert (vooraf vraag je je af: zou dat kunnen daar, met de fiets? Het kan) naar die ene uithoek van het vliegveld waar al een week lang een woestijntapuit bivakkeert. Sommige mensen nemen alleen genoegen met ongerepte natuur, of wat daar in Nederland voor doorgaat. Uitgestrekte bossen, stille heidevelden, woeste duinen, de dynamiek van het wad, liefst in stilte en volstrekte eenzaamheid te ondergaan. Hou ik ook erg van hoor, maar dit soort landschap kan ik op zijn tijd ook wel waarderen. Ook, of misschien zelfs wel juist dit is Nederland, wat je daar verder ook van vindt. Het is de moderniteit, de wereld van bedrijvigheid, van transport, van beweging, wees er gelukkig mee of niet, die gaat niet meer weg. En hoe zich in die moderniteit toch iets van natuur, iets ongerepts manifesteert, een vogeltje dat op eigen houtje van duizenden kilometers ver hierheen is gevlogen, dat is iets dat me mateloos fascineert. Alles bij elkaar is het ook een soort natuur hier, een soort jungle, en enerverend is het zeker, op een bepaalde manier. Dat een viaduct je weg kruist en dat daarop, pal voor je neus, een reusachtige jumbo verschijnt. Een lange tunnel, een bocht naar links, nog een tunnel, nog wat links en rechts en daar staan ze al, de vogelaars, geconcentreerd achter hun telescopen of telelenzen, loerend naar puinbergen, gestapelde stenen, betonnen platen en nog meer hekken, schijnbaar zonder enige interesse in de (nog meer!) vliegtuigen in de weidsheid daarachter. Vogel net even uit beeld, wordt me verteld, het is een bekend verhaal maar het duurt dit keer niet lang. Vogel zit er al een week en is ook vanmorgen al gemeld dus kan niet missen en inderdaad: na enig geduld verschijnt-ie achteraan op het beton. Daarna op een verre berg puin, op het hek en tenslotte op de nabije berg puin. Tot op amper vijf meter afstand nadert-ie. Ik had al wel eerder woestijntapuit gezien maar nooit zo. Wat een vogel, en wat een ambiance. Terwijl op de achtergrond een reusachtig verkeersvliegtuig voorbij gaat, genieten wij van een zeldzame dwaalgast uit streken waar dat verkeersvliegtuig wellicht (maar waarschijnlijk niet) naar op weg is en die nu hier op enkele meters afstand foerageert tussen het puin en de koude aarde van Schiphol, waar hij het ene na het andere iets tevoorschijn haalt. Het is weer een onvergetelijke twitch.

25 november 2017















maandag 20 november 2017

Kokar de Zaagbek

Hij houdt de gemoederen flink bezig, vriend Kokar. Bevindt zich al enkele dagen nabij het Zwarte Water ten noorden van Zwolle en wordt omgeven door twijfels en bedenkingen. Zij die het wagen deze exoot te twitchen, zijn onderwerp van hoon en spot van collega vogelaars die wijzer zijn en er de neus voor ophalen (hoewel ik zomaar vermoed dat heel wat van deze vogelaars die wijzer zijn inmiddels stiekem ook zelf zijn wezen kijken). Want eend en van origine thuis in verre orden: dat is per definitie verdacht. Dat is het lot van zeldzame eenden: teveel beesten achter slot en grendel waarvan er te vaak van achter hun slot en grendel weten te ontsnappen. Om maar eens mezelf te citeren: ‘Eenden zijn net god: je hebt de gelovigen en je hebt de ongelovigen die niet geloven dat ooit een eend vanuit een ver land deze kant op kan dwalen en daarom aannemen dat elke zeldzame eend wel vanachter slot en grendel afkomstig moet zijn’. Maar deze is naar verluidt inmiddels bewezen ongeringd, gaaf aan beide vleugels en prima tot vliegen in staat, niet al te tam en trekt bovendien niet op met dubieus gezelschap: geen slechte papieren. En bovendien niet de eerste: er is er al eens eerder eentje aanvaard dus men neemt aan dat het kan, een wilde kokar in Nederland. Hoe dan ook, het is, zoals al die eenden van dubieuze herkomst, een prachtige vogel en omdat fietsen in de streek van Vecht en IJssel sowieso geen straf is, toch maar met Harriët de trein naar Zwolle genomen en de fiets richting Zwarte Water. Daar aangekomen, bij het bescheiden waterloopje dat tot aan het Zwarte Meer en vandaar het Ketelmeer en tenslotte het IJsselmeer voert, vinden we een mooie compositie van blauwgrijze watertjes, vaalgele rietoevers, overhangende wilgenbosjes en groene graslanden onder grijze luchten met hier en daar een snufje zon. Klassieke Hollandse landschapsschildering. Aanvankelijk was de vogel uit beeld maar geen paniek: al gauw werd-ie teruggevonden in de oever. Enige tijd zat-ie daar half verscholen in het riet maar uiteindelijk gaf-ie zich helemaal bloot en konden we genieten van zijn feestelijke uitdossing met de kenmerkende, opvallende kuif. Wat ook zijn status en herkomst, een reisje naar het Zwarte Water is-ie zeker waard.
Na Kokar de regen, en in de regen Langenholte, waarna een mooi dijkje langs de Overijsselse Vecht, schuilen in het tuinhuisje van de Agnietenberg en terug in Zwolle tenslotte museum De Fundatie. Vooral dat laatste vormde een mooi contrast met en een fijne aanvulling op Kokar.

18 november 2017







dinsdag 14 november 2017

Noord-Holland

Het weer was een beetje de rode draad, tijdens de Vogelwacht Utrecht-excursie naar Noord-Holland vandaag. Het woei te weinig en het regende teveel maar tussen de vele buien door lukte het toch om een paar hele leuke typetjes te scoren.
Het woei te weinig. Na berichten van gisteren (vier stovjes langs Camperduin, twee papduikers en één kleine alk) hoopten we vandaag een graantje mee te pikken van de rijke buit die de harde noordwester hopelijk richting kust zou blazen. Maar de noordwester was helemaal niet hard en dus moesten we genoegen nemen met standaardsoorten als roodkeelduiker, zeekoet en jan van gent. Al gaven de meeuwtjes een leuke show weg. Allereerst zagen we een dwergmeeuwtje, nee, een paar dwergmeeuwtjes naar noord vliegen. Toen nog een paar en nog een paar. Zeker een half uur lang ging dat door en toen de dwergmeeuwtjes bijna op waren: hé, een drieteenmeeuw, en nog een, en nog een paar. En zo volgde op een vlaag van vele tientallen dwergmeeuwen een van vele tientallen drieteenmeeuwen. Ja, zo fascinerend kan zeetrek zijn, ook zonder de grote soorten.
Het regende teveel. Na diverse zware buienluchten die over zee voor ons langs schoven, werden we uiteindelijk getrakteerd op een hele stevige bui die wel land bereikte. Eerst hagel, daarna regen, zicht op zee 0 en toen het eindelijk zowat over was nat en koud en apparatuur nat en beslagen en daardoor vrijwel onbruikbaar. We gingen naar Minkema, opdrogen en opwarmen. Toen we daarmee klaar waren en het zo goed als droog was, weer naar buiten. Prachtige buienluchten aan alle kanten, hier en daar gitzwart, elders helder oplichtend, tussendoor snippertjes blauw en af en toe een schim van de zon: het was een bijna apocalyptisch beeld. Af en toe weer wat regen maar dat deerde ons nu niet meer. Aan de voet van de oude zeewering gingen we op zoek naar een fitis die zich daar al enkele dagen ophoudt. Een fitis in november, dat is sowieso bijzonder en deze oogde daarbij op de vele foto’s die inmiddels van hem genomen zijn behoorlijk afwijkend: grauw van kleur, vrijwel zonder groen- en geeltinten, met vrij donkere bovenzijde en een opvallende wenkbrauwstreep. Er wordt gedacht aan yakoutensis, ondersoort van zeer ver weg en daarom hier zeer zeldzaam. Langzaam lopen we door de laagte beneden langs de dijk en speuren in de bosjes. Weinig leven. Een roodborst, een pimpelmees, een tjiftjaf. Maar dan, een heel stuk voorbij de plek waar die gisteren gezien is, daar hebben we hem: een grauw, overwegend grijsbruin gekleurde Phyllo vrijwel zonder groen- en geeltinten, met vrij donkere bovenzijde en een opvallende wenkbrauwstreep. Structuur als fitis. Mooi beestje. Inmiddels wordt gedacht aan een andere ondersoort: acredula, nauwelijks met zekerheid van yakoutensis te onderscheiden maar van iets minder ver weg en daarom iets aannemelijker, en nog altijd zeldzaam. Interessante materie.
We zagen nog een paar patrijzen in de zeereep en mooie zwarte ruiters en zilverplevier in de Putten en gingen op weg naar een volgend afwijkend typje: een koereiger, zoals we hem nog maar even zullen noemen, bij Anna Paulowna. Een vogel waaraan van alles niet klopt, zoals we later zelf konden constateren toen we vanaf een weggetje stonden te kijken naar de vogel die vlakbij foerageerde in het weiland. Meestal zag je er wel een soort van koereiger in maar soms had je het gevoel dat je naar een kleine zilverreiger keek: slanker, tengerder, met een langere nek. Wat in elk geval niet klopte voor koereiger waren de pikzwarte poten en de wat te forse, te lange snavel. Maar een zilverreiger was het echt niet. Daarvoor klopte er nog veel meer niet. De vogel foerageerde als een koereiger, in het gras waar ie de ene regenworm na de andere oppikte. Hybride? Oostelijke (onder)soort? De deskundigen zijn er nog niet uit.
Na een vergeefse poging tot waterspreeuw op vliegveld Den Helder namen we ons voor de dag af te sluiten met nog één gave, echte soort. Daartoe richting Castricum, waar in de duinen vanochtend een pallas boszanger was gevonden. Uurtje met de auto, kwartiertje lopen en ter plaatse in een geïsoleerd stukje bos de vogel al gauw mooi in beeld. Dat wil zeggen: de voorhoede. De meeste anderen waren te laat. De vogel was weer zoek maar na een half uurtje zoeken werd-ie teruggevonden en kreeg (vrijwel?) iedereen hem mooi in beeld, foeragerend van half hoog in de bomen tot laag in de vegetatie. Af en toe kwam-ie vrij dichtbij en liet ook doorslaggevende kenmerken zien als middenkruinstreep en gele stuit. Fijne soort, leuk vogeltje maar het laatste woord was aan twee zwanen in een van de infiltratiekanalen. Op weg naar pallas hadden we die nog genegeerd maar op de terugweg bleken het twee mooie wilde zwanen. We begrepen de hint: het is alweer bijna winter.

12 november 2017