dinsdag 27 juni 2017

Zwarte ooievaars

De wereld, ach ja, … Trump, klimaat, terrorisme, kabinetsformatie, je hoeft geen gerenommeerd opinieleider te zijn om het vermoeden te hebben dat het er niet in alle opzichten even goed voorstaat. Maar verder weet ik er het fijne niet van hoor. En wie eigenlijk wel? Zelfs de president van de Verenigde Staten weet van niets. Uiteindelijk kun je maar het beste vertrouwen op mensen die ergens wel verstand van hebben denk ik weleens, en er verder het zwijgen toe doen. Alleen spreken over iets waar je wel wat van afweet. Over zwarte ooievaars bijvoorbeeld, zeldzame neven van onze eigen ooievaars. Niet helemaal zwart eerlijk gezegd maar meer zwart dan wit, in tegenstelling tot de onze die meer wit zijn dan zwart. Het zijn mysterieuze vogels vind ik. Heel wat uren heb ik destijds als jongeling met mijn neus in een vogelgids gezeten, starend naar de afbeelding van dit legendarische wezen.
Zwarte ooievaar is altijd een van de paradesoorten geweest van de Nieuwe Natuur in Nederland, met name van al die projecten die de rivieren meer vrijheid moesten geven. De ooibossen die daarbij in de uiterwaarden moesten ontstaan, waren ideaal voor ze. Inmiddels is-ie als broedvogel opgerukt tot in de Belgische Ardennen, maar ondanks de vele rivierreservaten en ooibossen die ons land inmiddels rijk is, is-ie bij ons nog altijd slechts een toevallige zwerver. Een regelmatige zwerver, dat dan weer wel, maar hoe dan ook een soort die je niet zo gemakkelijk spontaan tegenkomt. Dus als er weer eens ergens zwarte ooievaars worden gemeld, kan dat aanleiding zijn tot een expeditie op een wat grijze, soms zelfs miezerige (maar op het eind ook zonnige) zondagmiddag door, in dit geval, noord Limburg. Werkzaamheden bij Den Bosch die me dwongen tot een omweg via Rotterdam (vandaar mijn wat sombere bespiegelingen aan het begin van dit verhaal: alle tijd om de krant te lezen), konden me er vandaag niet van weerhouden. Ik had nou eenmaal zwarte ooievaar in mijn hoofd als doelsoort voor vandaag en ach, ik hoefde immers niet zelf te rijden. Dus fietste ik even na 12 uur vanuit Weert en door Nederweert richting De Banen. Eerste stop: ‘De Kwegt’. Wat precies De Kwegt is en wat niet, is me niet helemaal duidelijk maar er was een uitgestrekt ven en het was de laatste plaats waar ze vanmorgen gezien waren. Maar nu zaten ze er niet meer. Daarna de Banendijk maar eens geprobeerd, waar aan de ene kant het vlakwater is, waar de vogels ook geregeld gezien waren, en aan de andere kant het grote ven van de Banen zelf. Geelgorzen, boompiepers, gele kwikstaarten. Ondiepe wateren met struwelenwoud op de oevers, natte graslanden, hooilanden, ideaal terrein. Blauwborst, koevinkjes, zwermen van kruipende moerasweegbree, wat nogal zeldzaam schijnt te zijn, maar nog altijd geen zwarte ooievaars. En terug bij de Kwegt nog steeds niet. Ik begon al een beetje ongerust te worden toen, weer op de hoofdweg: daar waren ze! Ik pikte ze vrij ver in het noordoosten op, zo’n beetje boven de Banen, maar uiteindelijk vlogen ze fraai laag over me heen en streken neer in het gebiedje achter me. Daar vond ik ze later terug in een poel voor de bosrand. En ik moet zeggen, hoe fraai en majestueus ze er in vlucht ook uitzien, aan de grond vind ik ze eerlijk gezegd een beetje misbaksels, mislukte ooievaars. Elke keer weer als ik ze zo zie denk ik: eigenlijk zijn de onze mooier. Maar ja, deze zijn zeldzaam, dat telt.

25 juni 2017




zondag 18 juni 2017

Avondexcursie Biesbosch

We hadden dit keer tot een avondexcursie besloten. Waarom, daar kun je je vraagtekens bij zetten want toen het begon te schemeren en het echt avond werd, toen zaten we alweer in de auto terug naar Utrecht. Maar toch, met een gewone dagexcursie hadden we ongetwijfeld dat laatste half uurtje gemist: nog steeds een stralende hemel maar inmiddels voelbare avondkoelte die voelt als een koud glas wijn, of bier zo u wilt, op een warme zomeravond. Achter ons zingt nog altijd af en toe de cetti’s zanger. Voor ons passeren af en toe een of twee lepelaars van de groep van meer dan zestig die zojuist nog rustte in polder Hardenhoek. Op weg naar hun slaapplaats, vermoeden we. Af en toe verraadt zich een zwartkopmeeuw tussen de passerende kokmeeuwen, door zijn aparte, mauwende roep of door zijn lichte, contrastarme vleugels. Of door allebei. Een zilverreiger hoog in een boom ver weg aan de overkant. En toen koerste ineens een enorme harige bruine kop door het water. Af en toe een licht gespartel en dan verdween het hele lijf van misschien wel een meter lang onder water, om pas minuten later verderop weer boven te komen. Bever! Korte tijd later gevolgd door een tweede.
Met die bever, helemaal op het eind van de avond, is alvast de soort van de dag verklapt. En dat was dan nog niet eens een vogel. Wat vogels betreft begonnen we de dag aan het eind van de middag in polder Muggenwaard, onderdeel van de Noordwaard wat zo’n beetje het nieuw tot natuur omgevormde en gedeeltelijk onder water gezette gebied is tussen Werkendam en de bekende polders Hardenhoek en Maltha. In de Muggenwaard vooral tientallen kieviten, tureluurs en kokmeeuwen maar ook drie mooie steltkluten, die overigens na een half uur of zo ineens verdwenen leken. We hadden ze niet zien wegvliegen maar ze waren onvindbaar. Met onder andere een zilverplevier, op een ongebruikelijke plek op een ongebruikelijk moment en in een ongebruikelijk kleed, een vuurlibel, kluten, kleine plevieren, zingende gele kwikstaart, kleine zilverreiger, een zomertaling en minimaal twaalf casarca’s, bouwden we alvast een aardig soortenlijstje op.
De eerste cetti’s zanger, nou ja, een paar gevalletjes uit de auto niet meegerekend, hoorden we verderop vanaf de weg die mooi zicht biedt op het beroemde eerste visarendennest van Nederland. Ook dit jaar is dat weer bezet. We hadden mooi zicht op eerst een en daarna twee oudervogels en af en toe op de kop van een jong dat zich strekte in de hoop op een hapje van vader of moeder. Beleef de lente in Nederland! We bezochten nog de Reugtweg, met zicht op een grote plas met onder andere tientallen grutto’s en kieviten en foeragerende gierzwaluwen waartussen we natuurlijk hard op zoek gingen naar die ene siberische gierzwaluw. En eindigden tenslotte aan de punt van de landtong diep in de Hardenhoek, waar twee bevers deze avond van een mooie afsluiting voorzagen.

17 juni 2017

Avonden in juni

Avonden in juni: je hebt ze in soorten en maten maar voor mij hebben ze iets legendarisch. Al vaak heb ik op zo’n zwoele zomeravond in het schemerlicht dat zich tot bijna middernacht uitstrekt, bij Tienhoven staan wachten tot daar het woudaapje begon te roepen. De laatste jaren helaas vergeefs: is er alweer sinds jaren verdwenen. Of op de Kanaaldijk langs polder Achteraf, wirwar van water en riet, staan luisteren naar het koor van snorren en sprinkhaanzangers, bosrietzangers en blauwborsten, af en toe een waterral en wie weet een porseleinhoen, in de hoop dat er een roepje van kleinst waterhoen voorbij zou komen. Ook dat is er de laatste jaren nog maar zelden bij: ook de hoogtijdagen van kleinst waterhoen liggen hier alweer een aantal jaren achter ons. Toch loont het altijd de moeite er weer een avondje te gaan staan, in die steeds hermetischer duisternis waarin steeds meer de nachtelijke geluiden de overhand hebben. Laatst stond ik er weer. Kikkers, veenmollen, snor, blauwborsten, sprinkhaanzanger en boven me een enorme zwerm insecten. Piepkleine beestjes maar het zoemde ervan en het verleidde me tot een griezelige gedachte: ze zijn met zoveel, die insecten, als die eens met zijn allen gecoördineerd tegen de mens te strijde trokken, het zou afgelopen zijn met ons. Toen, halverwege die gedachte, hé, een roepje. Was dit ‘m niet? Eén keer slechts en dan realiseer je je altijd pas achteraf wat je gehoord meent te hebben. Te weinig dus, te kort en eigenlijk moest je het maar vergeten. Maar het leek er wel verdacht veel op en eerlijk gezegd beschouw ik me sinds de invasie van kleinst waterhoen hier, alweer zoveel jaar geleden, wel als een expert op dit gebied. Onzeker kleinst waterhoen dus. Nou ja, heb je uiteindelijk niks aan.
Verder nog in de verte bedelroepende jonge ransuilen. En op de terugweg diverse luid baltsroepende bosuilen, waarvan eentje vlakbij en net zichtbaar in het lantaarnlicht in de top van een boom. Die hoor je meestal niet zo veel meer in juni. Wat bracht die ineens tot zulke massale activiteit?
Afgelopen avond was ik opnieuw op pad, dit keer naar polder Achttienhoven, achter Westbroek. Het laatste daglicht sijpelt weg, de laatste veldleeuwerik, ja die heb je hier nog, zo’n beetje de laatste plek rond de stad, de laatste veldleeuwerik dus in dubbel opzicht zingt nog wat na. Een mooie strook ongemaaid hooiland en ineens van daaruit: roepende kwartel! Hoera. Landelijk niet zeldzaam maar rond Utrecht een hele leuke soort.
Het waren weer een paar mooie, klassieke avonden in juni. Ja, ze maakten hun faam weer helemaal waar.

16 juni 2017

woensdag 7 juni 2017

Gezinsuitje

Meestal als ik op Texel ben, heb ik haast. Als er al niet een of andere zeldzaamheid zit op de noordpunt van het eiland, die me dwingt tot een zweet verwekkende worsteling met de op Texel altijd waaiende wind, dan wil ik zo snel mogelijk zo veel mogelijk plekken afspeuren om zelf die zeldzaamheid te vinden. Dat eerste vaak met succes, dat laatste helaas zelden. Maar vandaag was het anders. Vandaag was het juni. Vandaag was er buiten de standaard Texelsoorten weinig te halen, al weet je dat natuurlijk nooit als je ze niet zoekt. En vooral: vandaag hadden we een gezinsuitje naar het eiland. Na grauwe fitis, grauwe klauwier en slangenarend de afgelopen drie dagen kon ik me dat veroorloven, vond ik.
Het was een mooie zomerdag, met volop zon, met een stevige zuidwestenwind maar toch zacht. Ontspannen fietsten we over het zuidelijke deel van het eiland. De Petten, de Geul, Mokbaai, Hoornderslag en waddendijk langs de Schanserwaard (wie dat niets zegt, mij zei het tot vandaag ook niets: nog lang geen Oudeschild): verder kwamen we niet. Heerlijk de tijd genomen. Op het uitzichtduin bij de Geul, met zicht op de plas omringd door rietlanden en lage duinen, en op aalscholvers, geregeld een kiekendief en af en toe langs zeilende lepelaars. Op de Mokweg met zicht op de Mokbaai die een diepe wig slaat in het eiland en waar bij hoog water op de hoogste delen van de baai de wadvogels zich verzamelen die zich bij laag water verspreiden over het droog vallende wad. Hoewel vandaag niet veel meer dan een eenzame rotgans. Op een terrasje in het zonnetje in Den Hoorn, met live muziek van een Amerikaanse zanger en een Oost Groningse zangeres die op het eiland verzeild geraakt waren. Op het strand van het Hoornderslag waar ik de anderen maar niet wees op die ene adulte jan van gent die ik korte tijd ver weg boven zee zag. En op de waddendijk aan het eind van de Amaliaweg, waar een aanhoudende stroom grote sterns over de Waddenzee naar zuidwest trok. Het is maar een heel klein stukje van het eiland, maar vandaag hadden we er voldoende aan. Die gekamde duinen, die natte laagtes, het zigzaggende polderland, de bloeiende vlieren, de orchideeën in het grasland, het is allemaal mooi genoeg. Daarvoor hoef je op Texel niet ver te fietsen. Zeldzame vogels waren vandaag niet aan de orde, maar het was fijn om de anderen wulpen te kunnen wijzen, en tureluurs, een krappe handvol rosse grutto’s en een boel grote sterns en visdieven. En kluten natuurlijk, daar houdt Harriët altijd zo van, en wie trouwens niet? Lepelaars, op het wad eiders met jongen, steenlopers, ja, het was een mooie dag.

5 juni 2017







woensdag 24 mei 2017

Top of Holland aflevering 5

Het was een regenachtige vrijdagavond, op het Balloërveld. Het was niet koud maar wel grijs en druilerig. Geheel in de traditie van de Top of Holland-dag. Lichte regen en zingende boompiepers, veldleeuweriken en geelgorzen, die laatste ook mooi gezien trouwens, altijd een feest. Toen: vrouwtype kiekendief over de hei. Slank, vier vingers, geen boa of halsring zichtbaar: vrouwtje grauwe kiek. Goeie soort, voor een westerling. We staan haar nog na te zwaaien als … hé, draaihals! aanhoudend en fanatiek roepend vanuit een nabije boomgroep. Een nog veel betere soort! We krijgen ‘m niet te zien behalve kort in vlucht, maar zo is het ook mooi. Draaihals was tot voor kort als broedvogel bijna uitgestorven in Nederland, maar is met een enorme opmars bezig. Naar verluidt broeden er inmiddels tientallen in het grensgebied van Drenthe en Friesland.
Aan de andere kant van het gebied zijn natte hooilanden en daar zien we man grauwe kiek jagen. Tot vlak voor ons langs komt-ie: prachtig. Ook al een soort die ooit bijna uitgestorven was in Nederland. Nee, het gaat niet alleen maar slecht met natuur in dit land.
Later, in de avondschemer, zijn we er terug. Het is ons om nachtzwaluw te doen, en nachtzwaluw krijgen we. We horen er baltsen, we horen vleugelgeklapper, we zien even een nabije schim langs zweven en we zien een silhouet in een kale boomtak. Enerverend.

Het was een smakelijk voorafje voor de Top of Holland vogeldag op zaterdag, jaarlijks eendaags vogelfestijn in de drie noordelijke provincies Groningen, Friesland en Drenthe. Jaarlijks verzamelen zich daar de fanatieksten der vogelaars die kriskras de drie provincies doorkruisen op zoek naar zeldzame vogels. In de hoop de zeldzaamste van allemaal te vinden. Lekker belangrijk, zult u denken maar vergis u niet: de wereld mag vergaan, de formatie in een impasse raken of de benzine nog weer duurder zijn geworden, op zo’n dag is er voor ons niets belangrijkers dan dat.
Het is een dag met rijke tradities. Een van de hardnekkigste daarvan is wel het weer: jaar in jaar uit ondergaan we regen en kou en winterse buien die door koude noordenwinden over het land worden gejaagd. Meer dan eens heb ik er intens naar een winterjas verlangd en de keren dat ik daar niet naar verlangde was dat alleen omdat ik die gewoon aan had. Maar dit keer tapte het weer uit een heel ander vaatje. Het was vanaf ’s morgens vroeg helder en zonnig en dat later op de dag ook een enkel mild buitje passeerde, mocht de pret niet drukken: het was zeer on-ToH-achtig weer. Aloude traditie bij het oud vuil.
Nou is de Top of Hollanddag inmiddels zelf een oude traditie. Traditie van vogelaars, immers net mensen, die met elkaar de competitie aangaan. Die elkaar bekampen om de beste soort. En die traditie houden we graag in ere. Deel van die traditie, naast het bijna telkens weer abominabele weer, is ook het geringe succes van ons team. Nog nooit een soort van betekenis gevonden. Reden waarom Ben ons een vorige aflevering eens heeft ingeschreven onder de naam ‘Team Spek & Bonen’. Dit keer gaan Ben, Vincent en ik plus wisselspeler Hans weer als vanouds onder de naam 010-020-030 de strijd aan. Gezellig zal het zeker worden, veel vogels zullen we zeker zien, maar wat we zelf gaan ontdekken, dat is op het moment dat we om 7 uur ’s ochtends in Assen de Jan van Ravenswaaystraat uitrijden, nog ongewis.

Onze eerste stop is dit keer het Fochteloërveen dat we, zo groot als het is, toch bijna niet vinden kunnen. Als we uiteindelijk toch de auto parkeren aan het begin van het welbekende fietspad door het veen en daar het veen in wandelen, zingen geelgors, boompieper, graspieper, veldleeuwerik en fitis, onder meer. Het gaat vandaag om zeldzaamheden, dus geelgors, boompieper, graspieper, veldleeuwerik en fitis zijn van generlei waarde, al zijn ze er niet minder feestelijk om. We vinden enkele paapjes waaronder fraaie zingende mannetjes, we vinden geoorde futen, ik zie mijn eerste groentje ooit, nee, niet bijzonder zeldzaam maar ik had er nog nooit een gezien, en ik determineer voor het eerst zelfstandig een noordse witsnuitlibel, wat me met enige trots vervult. Die laatste geen vogels natuurlijk en ook met paapje en geoorde fuut zullen we de hoofdprijs niet winnen. Dan boven de verre bosrand drie kraanvogels. Machtige vogels in machtige vluchten, beeldmerk van de nieuwe natuur in Nederland, al is het Fochteloërveen natuurlijk geen nieuwe natuur. Ook deze leveren ons overigens geen punten op. Terug bij de parkeerplaats zingen fanatiek een of enkele wielewalen: oude natuur maar daarom niet minder mooi. En in de randzone lopen een stuk of twaalf kraanvogels, ook al vrij ver weg maar toch fraai, vooral hun luide getrompetter dat van ver naar ons toe komt waaien. Een hartverscheurend geluid.

Onze volgende stop is het Aekingerzand, de Kale Duinen van Appelscha. Droge natuur, met heide en zandverstuivingen en een kudde schapen, al is er ook een ven met enkele prachtige geoorde futen. Verschillende tapuiten in de hei en een wespendief laag over. Grote lijster, nogmaals wielewaal: de oogst is fraai, al zit er nog altijd geen prijswinnaar bij.

Vanaf de uitkijkbunker in de Onnerpolder vliegen de soorten ons tegemoet. Gele kwikken, zwarte sterns, een steltkluut hier, een steltkluut daar, uiteindelijk tellen we er acht op een verre zandrichel waar ze ook een paar nesten hebben. Dit is nieuwe natuur op zijn mooist: hectare na hectare ooit saai grasland is half tot geheel onder water gezet. Het heeft geleid tot een onafzienbare opeenvolging van plasjes, drasjes, slikjes en rietmoerassen. We noteren onder andere kluten, lepelaars, zomertaling, een ver weg langs vliegende wespendief en een zomerkleed steenloper, bepaald niet alledaags op zo’n binnenlandlocatie. En diep in het terrein foerageren vier witwangsterns, de kroon op al het werk. Voorheen zeldzaamheden uit Oost- en Zuid-Europa maar tegenwoordig lang zo zeldzaam niet meer. Verderop broeden ze met tientallen. Het gaat dus goed met de nieuwe natuur in Nederland. Het is een mooi palet, maar een prijswinnaar …

Het is tijd voor zwaardere middelen: we gaan naar het Lauwersmeer. Als het daar niet lukt, dan lukt het nergens. En zie, bij aankomst bij de Ezumakeeg hingen er meteen twee adulte zeearenden boven ons, dat andere beeldmerk van nieuwe natuur in Nederland. Machtige gestaltes die als grootgrondbezitters hun landerijen inspecteerden. We zagen ze diverse keren verschijnen. Meestal cirkelden ze bedaard boven ons rond maar een keer zagen we ze in gehaaste vlucht, nagezeten door een zwerm meeuwen en steltjes. Overigens zaten er maar betrekkelijk weinig steltjes in de Keeg, meestal een van de beste steltloperlocaties in Nederland. De tientallen kemphanen en bontbekplevieren in zuid waren natuurlijk wel aardig. Wat krombekken ertussen, wat kleine strandlopers ook, drie daarvan prachtig dichtbij en we moesten er alweer hals-over-kop vandoor want: terekruiter op het wad bij Ternaard! Heel fijn natuurlijk, maar daarmee waren wel onze kansen op de hoofdprijs zo goed als verkeken. Volgend jaar toch maar weer Spek & Bonen?

Het leek een inkoppertje te worden, die terek: vogel stabiel ter plaatse in groep overtijende stelten op het wad tegen de rand van het schor aan. We zagen ze al van verre zitten en met nog ruim een uur te gaan tot hoog water leken ze daar nog wel even te blijven. Maar het werd toch weer een spannend verhaal want net toen we aankwamen ging een deel van de vogels de lucht in. En ook al keerden ze daarna weer terug op het stukje wad dat het opkomend tij nog had overgelaten, het zoeken naar terek kon opnieuw beginnen. Het was een prachtige groep overtijers, dat moet gezegd, met fraaie kanoeten, zilverplevieren, bontjes en rosse grutto's, maar terek? Eerst keken we collectief naar de verkeerde vogel en toen we dat eenmaal door hadden, duurde het verontrustend lang voordat eindelijk de echte terek was teruggevonden. En daarna duurde het nog veel langer voordat ik, na lang zoeken en vele vruchteloze aanwijzingen, eindelijk de vogel in beeld had. En die bleek aanvankelijk al die moeite nauwelijks waard: een onooglijk beestje met kop in de veren half zichtbaar achter een zilverplevier, waaraan behalve een witte onderzijde en een ‘subtiel’ schouderstreepje, eigenlijk niets te zien was. Maar uiteindelijk werden we uit ons lijden verlost: de vogel maakte zich los uit de menigte, was nu geheel vrij zichtbaar en deed daarna ook enkele keren de kop uit de veren, zodat telkens weliswaar kort maar glashelder een heuse terekruiter te zien was en ons hunkeren eindelijk bevredigd werd. De soort van de dag, wat mij betreft.
Waarna we in Schierzicht opnieuw de poedelprijs in ontvangst mochten nemen. Je moet ook niet in een keer al je tradities overboord zetten. Deze bewaren we voor volgend jaar. En de hoofdprijs, die was natuurlijk voor ons allemaal: het was weer een fijne dag geweest.

20 mei 2017




woensdag 17 mei 2017

Grijze strandloper

Het was weer zo’n fijn spoedgeval vandaag, met zo’n soort die in een keer je dag op z’n kop zet. Want onverwachts bleek de grijze strandloper die gisteren door één persoon was gezien op de Maasoever bij Arcen en Velden en daarna hoog naar noord was weggevlogen, daar vanmorgen toch weer, of nog aanwezig. Dat vroeg om een snelle beslissing, en die beslissing was snel gemaakt: mijn dagbesteding werd een geheel andere dan ik toen ik vanmorgen wakker werd, nog voor ogen had gehad. In plaats van een dag op kantoor, starend naar de cijfertjes op het computerscherm, een expeditie naar noord Limburg. Ja en dan is het weer zo’n dag dat het alleen maar draait om die zeldzaamheid. Met een wat roerige maag zit je dan in de trein, onrustig te wachten op het moment dat je eruit mag, dat je aan het werk mag. In Venlo eindelijk actie: op de fiets naar het noorden. Naar Arcen en Velden en nog iets verder. Nog geen enkel bericht, na de alert van vanmorgen. Dat leek me een goed teken: vogel was in elk geval nog niet afgemeld. Zwak windje achter, zonnetje in de rug en een temperatuur die in Venlo al 27 graden Celsius aanwees. Veel te warm voor de kleren die ik bij me had maar geen tijd nu om daar iets aan te doen.
Ik was bijna ter plaatse toen er ineens toch een kinkje in de kabel dreigde: waar volgens Google maps een weggetje naar de plek moest leiden van waar de vogel gezien werd, stond een hek en een bord: ‘Gevaarlijk terrein, verboden toegang.’ Ook verderop, achter het prikkeldraad, zo’n bord. Wat nu? Ik had me al omgedraaid om een andere route te zoeken, toen bleek dat het toegangsverbod massaal werd genegeerd. En waarom ook niet? Een soort bouwterrein, geaccidenteerd en ruig begroeid waar verderop graafmachines bezig waren, waar we verder geen kwaad deden en waar elk gevaar ver te zoeken was: na enige aarzeling stapte ook ik maar door het geopende hek. Grijze strandloper wachtte immers en die is dat wel waard. We komen bij een uitzichtbult met zicht op een plasje waar op de tegenover liggende oever, naast een fraaie zomerkleed bonte strandloper, een klein, bruingrijs ogend strandlopertje loopt. Telescoop brengt uitsluitsel: type kleine strandloper maar zonder de gele en roodbruine tinten die die kenmerken, zonder de uitgesproken tekening op de rug ook met de opvallende lichte banen, maar overall grijsbruin van kleur met duidelijke zwarte veercentra en met een zijborstvlek die wat nadrukkelijker is, wat scherper getekend en ook wat uitgebreider dan je van kleine gewend bent. Ja, dit is ‘m wel. In één keer raak dus dit keer, dat mocht ook wel weer eens. Deze was ik immers de afgelopen jaren al een paar keer misgelopen. Hij zit weliswaar op enige afstand maar laat zich door de telescoop toch fraai bekijken, af en toe stil op de oever of scharrelend langs of in het water. Hij is mooi. Ach, wat heet mooi? Het is geen kleine, al heeft-ie er wel het formaat van, en dat is mooi. ‘Schoonheid is een afwijking van het gangbare’, schreef good old Koos van Zomeren al eens. ‘Als alle vrouwen zulke ogen hadden als Cathérine Deneuve, zou niemand naar haar omkijken. … Schoonheid wordt gevoed door zeldzaamheid.’ (Het Scheepsorkest, 1989.) Wat dat betreft staat de grijze strandloper aan de top. Ik had er nog nooit een gezien dus ik vond het ruimschoots de moeite waard om een ruim uur aan hem te besteden. Onder het genot van het gezellige gekeuvel van wat medevogelaars. Onder het genot van een strakblauwe hemel en een warme zon die eindelijk zomer bracht in dit tot voor kort nog zo kille kikkerlandje. En onder het genot van zingende grasmus en bosrietzanger en overvliegende boomvalk en beneden rond de plasjes ook nog kleine en bontbekplevier, oeverloper, casarca’s en oeverzwaluwen. Beter uur kun je niet hebben, wat mij betreft.

16 mei 2017

zondag 14 mei 2017

Steltkluten

Vroeger sprong je daarvoor meteen in de auto. Of op de trein, in mijn geval. Tegenwoordig neem je rustig de tijd en wacht je af tot zich een geschikte gelegenheid voordoet. Die komt altijd wel. En anders maar niet. Een jaartje zonder steltkluut is ook geen ramp. Want steltkluut is lang niet meer zo zeldzaam als vroeger. Het wordt namelijk steeds warmer. Het is natuurlijk speculeren maar het heeft er alle schijn van dat de opmars in Nederland van steltkluut en van andere zuidelijke, warmte-minnende soorten als bijeneter en cetti’s zanger, alles te maken heeft met de klimaatverandering die inmiddels door meer dan 95% van de mensen die er verstand van hebben, wordt onderkend. Inclusief de rol die wij zelf daarin spelen. Mensen die het voor het zeggen hebben zijn helaas niet allemaal zo overtuigd. Ik vraag me altijd af, waar ze dat toch op baseren. Wat weten zij dan wat die 95% niet weet? Intussen mogen steltkluut, bijeneter en cetti’s zanger wel steeds talrijker worden en dat is natuurlijk prettig, maar als we niet oppassen worden wij zelf er op den duur steeds schaarser op. Wat door sommigen wellicht als een gunstige bijkomstigheid van de klimaatverandering zal worden gezien. Steltkluut kan, als we niet oppassen, zomaar een bode van de ondergang worden. Ondergang van de mensheid, om precies te zijn, niet die van de aarde, zoals soms abusievelijk wordt gezegd en geschreven.
Overigens is steltkluut nog steeds niet zo gemakkelijk te vinden als je wel zou wensen. Op de meeste, ook geschikte plekken kom je ‘m nog steeds maar zelden spontaan tegen. En dit jaar was ik ‘m al drie keer misgelopen. Eerst in de Groene Jonker, waar hij de dagen tevoren en ook de dagen erna geregeld gezien werd. Daarna in de Bethunepolder, waar er de vorige dag nog twee gezien waren. En tenslotte op het Landje van Geijssel, waar een al geruime tijd pleisterend stel precies op de avond dat ik er ging kijken, vertrokken bleek. Ik vond daar toen overigens wel zelf een gestreepte strandloper, tegenwoordig zeldzamer dan steltkluut, dus van mij geen klachten daarover.

Als dat zou betekenen dat het met die ondergang ook nog niet gedaan is, is dat mooi meegenomen.
Vandaag overigens, te Waverhoek, was het wel raak. Vier zaten er, waarvan twee al aardig aanstalten tot een broedpoging leken te maken. Ze prutsten wat aan iets wat een nest leek te worden, een van de twee nam daarop af en toe al plaats en ik betrapte ze één keer op ‘de daad’. En ook al zou je ze zien als voorbode van allerlei onheil (daar kunnen zij natuurlijk ook niks aan doen), prachtige vogels blijven het.



14 mei 2017