donderdag 5 oktober 2017

Herkansing

Herkansingen, je hebt ze in alle soorten en maten maar deze sprak wel zeer tot de verbeelding. In elk geval tot mijn verbeelding en ik was niet de enige, gezien de meute die zich vanochtend over de Overijsselse binnenwegen bewoog. Ik was de vogel eerlijk gezegd na de monumentale dip van precies een week geleden alweer zo’n beetje vergeten, dat had moeite genoeg gekost, maar gisteren dook-ie ineens weer op, in de buurt van Hasselt: de keizerarend van de Brobbelbies. Een herkansing dus, en een die ik als het effe kon niet aan me voorbij wilde laten gaan. En dat hoefde ook niet, want ik kreeg een lift aangeboden: ik kon meerijden met Ted Hoogendoorn, met 471 soorten op de teller een vermaard twitcher. Dat gaf vertrouwen.
Om vijf voor zes in de ochtend zat ik in de trein. Om kwart over zes werd ik opgepikt in Maarn en kort voor zondopkomst stonden we aan de Rechterensweg te kijken hoe het eerste ochtendlicht zich ontfermde over de Stadsgaten, natuurgebiedje van Staatsbosbeheer bij Hasselt. En we waren nog lang niet de eerste: tientallen auto’s stonden al geparkeerd in de berm van dit smalle landweggetje en met velen stonden we te wachten tot de arend tevoorschijn zou komen. Overvliegende graspiepers. Voor ons een moerassig veldje geflankeerd door een bosje links en een bosje rechts, en een paar honderd meter verderop een handvol vogelaars. Een handvol vogelaars die de vogel zien! zo zoemt het hier door de groep. Hij vliegt! Jawel, hij vloog, de andere kant op, van ons vandaan en in elk geval voor mij buiten beeld. Sommigen hier schenen de vogel kort gezien te hebben maar ik stond net op de verkeerde plek. Niet voor het laatst, vrees ik. De vogel scheen geland te zijn in een populier in de verte, we zagen daar de buizerden onrustig rond de boom cirkelen maar de arend zagen we niet. En weer opgevlogen, luidde het bericht, in westelijke richting. Verder even geen nadere mededelingen. Allemaal stapten we in de auto, allemaal reden we in zo groot mogelijke haast het landweggetje af, maar feitelijk wist niemand waarheen.
De hectiek van dit eerste uur stond model voor die van een groot deel van de ochtend. Er volgden nieuwe berichten: vogel nu ‘hier’ ter plaatse, vogel weer opgevlogen, vogel weer ter plaatse. Maar telkens waren we te laat, soms maar een minuutje. ‘Vogel in zuidwestelijke richting verdwenen’, waarna het enige tijd angstvallig stil was. We belandden in polder Mastenbroek, ten westen van Hasselt. We zagen buizerden, we zagen een zwerm kieviten die klaarblijkelijk in paniek de lucht in ging, al was die paniek natuurlijk vooral wensdenken onzerzijds, en we zagen een weiland met 32 grote zilverreigers. Uitgestrekt polderland, uitzicht tot in de verste hoeken. Schuren, boerderijen, boomlanen. We bestudeerde elke buizerd maar natuurlijk was elke buizerd inderdaad een buizerd. Ver weg in de polder zagen we een kleine samenscholing van auto’s en mensen. Hoopvol gingen we die kant op maar het bleken vissers te zijn. De dag was nog jong, hield ik mezelf voor, maar als je jezelf zoiets moet voorhouden, is er natuurlijk reden tot zorg. Ik voelde geen paniek hoor, ik voelde gelatenheid. Acceptatie al bijna: keizerarend, blijkbaar niet mijn vogel.
Toch was het nog maar amper negen uur toen er weer een melding kwam: vogel ter plaatse langs de Wolfshagenweg. Dat was vlakbij, constateerden we na raadpleging van google maps! We keerden de auto en raceten naar de aangegeven plek. Van verre zagen we al de vogelaars staan, turend door hun telescopen, allemaal in dezelfde richting. Zo moeten we het hebben, dachten we. We stappen uit en voegen ons bij de meute: ‘ja hoor, hij zit er’. Telescoop opgesteld, even zoeken in de aangegeven richting en bingo!

Wij, de winners, zie ons daar staan langs dat landweggetje, tussen de geparkeerde auto's, de telescopen gericht op een keizerarend verderop in het land. Je moet een behoorlijk fanatieke vogelaar zijn, je moet twitcher zijn om zo’n moment ten volle te kunnen appreciëren. De euforie, de vreugdekreten, wat een berg verzameld geluk hier op dat landweggetje diep in Overijssel, je zou het de hele mensheid toewensen. Hij zat wel niet heel dichtbij maar toch: formidabel was-ie, prachtig zichtbaar door de scoop. Wat een bakbeest! Die fiere gestalte, die stoere kop, die zware snavel. Eindelijk de tijd om de vogel eens goed in ons op te nemen. Een arend, een echte arend. Verenkleed van licht beige-bruin tot donkerbruin, met bijna zwartachtige vlekken op buik, op rug en op de kop. Vooral het donkere voorhoofd en de donkere keel zou volgens sommige aanwezigen mogelijk kunnen wijzen op Spaanse keizerarend. De oostelijke Keizerarend zou in zijn gezicht zo donker niet kunnen zijn. Dat wordt nog wel een dingetje: gaan we die (of juist de ander) uit kunnen sluiten of zitten we straks met een keizerarend spec. die we niet eens mogen tellen? Maar ach, die lijstjes … Wat een fantastische vogel. Na een tijdje ging-ie vliegen en vloog prachtig voor ons langs laag tot half hoog over het weiland. Die enorme lappen van vleugels, die diep ingesneden vingers, die traagheid van bewegen: een echte arend. Een jongensdroom!
Nog een paar keer krijgen we hem te zien, zittend in het veld en laag in vlucht, maar niet meer zo mooi als die eerste keer. We eindigen, bij Genemuiden, met een mooie bonus: juveniele zeearend boven een bosje in de verte. Hij is ver, maar hij is glashelder: zo’n totaal andere vogel eigenlijk. Keizerarend is weer even uit beeld. We besluiten het hierbij te laten en gaan naar huis. Waar het leven doorgaat, met of zonder keizerarend. Waar de formatie voort ploetert, het Nederlandse voetbal nog altijd in deplorabele staat verkeerd en Trump en Kim doorgaan met als kleine kleuters elkaar voor van alles uit te maken. Morgen weer een dag zónder keizerarend. What else is new?

4 oktober 2017

donderdag 28 september 2017

Wij, de loosers

Wij, de loosers, een basket of deplorables, zie ons daar staan, langs dat landweggetje tussen de verruigde velden, starend naar de einder, wachtend op een keizerarend die niet meer komt. Te laat, voor altijd te laat, je kunt er een Griekse tragedie aan wijden (ware het niet dat de Grieken keizerarend gewoon tot hun standaard-inventaris kunnen rekenen). Deze was niet weggelegd voor een stelletje slome sukkels als wij. Niet weggelegd voor de tragen van geest, niet voor hen die eerst zeker wilden weten dat de vogel toch een blijvertje was. Niet voor degenen die eerst hun lunch wilden nuttigen om er daarna middels een reeks alerts achter te komen dat de vogel al die tijd in de buurt was geweest. Niet voor degenen die eerst met de trein moesten en halverwege de reis de laatste alerts ontvingen, de minder plezierige waarin werd medegedeeld dat de vogel zojuist / al tien minuten / al ruim een half uur uit beeld was en dat er in de omgeving gezocht werd. Niet voor degenen die eerst hun kinderen van school moesten halen of eerst ergens in Gelderland een slangenarend (een slangenarend!) moesten twitchen. Deze was voor de snellen van geest, voor degenen die onmiddellijk in de auto stapten, en voor degenen die in de buurt waren natuurlijk. De anderen hadden het nakijken. Voor hen restte slechts het Brabantse land met zijn maïsvelden, verruigde akkers, karige houtkades en verre bosranden waarin al voorzichtig een schim van aankomend herfstlicht doorbrak. En zijn omvangrijke verre verten en hoge hemelen waarin je zo uitvoerig keizerarenden kon zoeken, urenlang, maar inmiddels vergeefs. Buizerden waren voor ons weggelegd, en torenvalken, aardig wat torenvalken. In de akker vond ik nog twee paapjes. Diverse veldleeuweriken ook in de buurt. Zelfs als troost was het ontoereikend. Ondertussen vermaakten we ons heus wel hoor. Toen de nederlaag eenmaal was verwerkt, was zelfspot in ruime mate voor handen en gingen oude verhalen rond als cakejes op een theekransje. En toen de middag ten einde was en zelfs de grootste optimisten niet meer geloofden dat keizerarend nog zou opduiken, gingen we welgemoed naar huis. Volgende keer beter. Volgende keer zouden wij de winnaars zijn, namen we ons voor. Tegen beter weten in, waarschijnlijk.
Om er thuis achter te komen dat het natuurlijk allemaal toch niets uitmaakt. Dat het leven doorgaat, met of zonder keizerarend. Dat de formatie voort ploetert, het Nederlandse voetbal nog altijd in deplorabele staat verkeerd en Trump en Kim doorgaan met als kleine kleuters elkaar voor van alles uit te maken. Morgen wéér een dag zonder keizerarend. What else is new?

27 september 2017







dinsdag 26 september 2017

Ommelanden

Het beloofde een mooie herfstdag te worden. Het was weer eens tijd voor een lekkere twitch. Wel vanuit de trein dichte mist dus dat werd nog spannend, maar in Groningen was de mist opgetrokken en scheen de zon. Op de fiets door de Groninger ommelanden. Ik schrijf dat altijd graag, ommelanden, een mooi woord dat staat voor, nou ja, voor de Groninger ommelanden dus. Vraag me niet waarom, maar in mijn ogen zijn alleen de Groninger ommelanden echte ommelanden. Afwisseling van statige hoeves en verre leegtes, waar je bij elke half of helemaal vervallen hoeve, bij elke door metalen hekwerk omgeven aanbouw of bij elke noeste, verwilderde tuin waar het bijbehorende landhuis schittert door afwezigheid, denkt: komt dat nou door de aardbevingen? De reis ging naar Slochteren, althans, een heel eind die kant op. In het Dannemeer moest ik zijn. Na een uurtje fietsen ter plaatse en daar zat-ie, meteen in beeld in een eenzaam kaal boompje, nou ja, eigenlijk twee kale boompjes temidden van de rietvelden maar hij zat er maar in één: grijze wouw. De vogel zit er al weken maar tot nu toe ging er steeds iets anders voor. Vandaag was-ie eindelijk aan de beurt. Dus de trein genomen naar … nou ja, enzovoorts, en daar sta ik dan, aan de Slochtermeentweg midden in de Groninger ommelanden, te kijken naar een grijze wouw. Een prachtige vogel, dat hoeft geen betoog, en bovendien: zeldzaam. Hij zat er mooi bij. Beetje ver misschien maar door de telescoop prima zichtbaar. Poetsend, rustend en af en toe de vleugels strekkend liet-ie zich zijn zojuist verorberde maaltje welgevallen. Een engelachtige verschijning met zwarte schouders en subtiel zwart oogmaskertje dat hem een felle blik verschaft. ‘Dat hem het aangezicht geeft van een vrouw van lichte zeden die al haar charmes inzet om ons te behagen’, schreef ik ooit. ‘En daar prima in slaagt’. Dat was vijf jaar geleden en de vogel bezorgde me destijds angstzweet en hartkloppingen: het was vrijdag de dertiende dus dat beloofde niet veel goeds, en het was nog mijn eerste dus oh, hij zou toch niet na één nacht alweer weg zijn? Dit keer was het allemaal wat ontspannener. Het was alweer mijn derde, dat scheelt natuurlijk, en hij zat er al weken dus enig vertrouwen in de goede afloop leek ook vooraf wel gerechtvaardigd.

Rondje Dannemeer gedaan. Honderden kieviten, aardige groepen goudplevieren, flinke groep kolganzen en nog veel meer, en terug bij de wouw. Hij zat er nog, maar in het andere boompje: hij was blijkbaar tussendoor even uit jagen geweest. Dat is bezienswaardig dus dat wilde ik ook nog wel meemaken. Dus ik wachtte. Ging er eens rustig bij zitten, at een paar boterhammen en praatte wat met een paar vogelaars die ook enige tijd stonden te genieten van de vogel, maar intussen bleef die zitten waar-ie zat. Tenslotte gaf ik het maar op en fietste terug naar Groningen. Met een omweg, zodat ik van de andere kant nog even naar de wouw kon kijken. Verder weg, maar met zonnetje recht achter. En toen vloog-ie eindelijk op. En was ik toch nog getuige van zijn fraaie jachtvlucht, zwierend en zwenkend en af en toe biddend boven het moeras. Ver weg maar door de telescoop prachtig te zien. De gedroomde afsluiting.

24 september 2017






zondag 24 september 2017

Verschil

Het verschil tussen eind augustus / begin september en nu, tweede helft september, zit ‘m er onder andere in dat toen de zwaluwen massaal boven het veld foerageerden en er af en toe een paar doorschoten en een weilandje verderop gingen foerageren, terwijl nu bij vlagen de zwaluwen in flink aantal over je heen naar het zuiden knallen en er nog maar een handvol boven het veld rondhangt. Dat gezegd hebbende: gisteren zag ik juist weer een flinke groep ‘ouderwets’ zwermen boven polder achteraf bij Tienhoven. Vanochtend echter, tijdens het trektellen op de Jacobssteeg, waren ze vrijwel op.
Trektellen zit vol verrassingen. Dat kan een aanwezigheid betreffen, maar evengoed een afwezigheid.
Verschil is ook dat er een paar dagen terug weer een sijs overvloog, de eerste weer deze herfst, en begin van de maand natuurlijk nog niet.
Vanochtend aan de Jacobssteeg vloog er alweer aardig wat. Aalscholvers bijvoorbeeld, een paar honderd aalscholvers. En tientallen graspiepers, en dat is ongetwijfeld een voorbode van de vele die nog zullen volgens. Dat kun je ook zeggen van die paar zanglijsters die alweer over kwamen. Daar zullen er ook nog vele van volgen. Waarna de koperwieken, de kramsvogels, de vinken, afijn, toekomstmuziek. Maar de stilte is dus wel voorbij inmiddels. Kun je eind augustus / begin september hier in het binnenland nog van die ochtenden hebben dat er vrijwel niets vliegt, dat je de trekkers met een lantaarntje moet zoeken en je je met tien vogels in een uur tevreden moet stellen, dat is nu wel anders. Vanmorgen haalden we voor het eerst weer de duizend vogels, ach, veel is het natuurlijk nog steeds niet, vergeleken met wat er over een paar weken over ons heen komt, of vergeleken met wat ze nu al langs de kust zien overtrekken, maar het vliegt. De trek is toch een beetje op gang gekomen. Het is dan ook de tijd dat je je bij elk geluidje afvraagt of het ter plaatse is of overvliegt. Die rietgors, waar komt dat roepje toch vandaan? Totdat je hem aan ziet komen vliegen en hij vlak over je heen doorvliegt naar zuid.
Hoe vogeltrek je kan verrassen bleek ook vanmorgen weer: korte tijd was een kuifmees ter plaatse. Die zien we hier nooit. Natuurlijk: op amper twee kilometer hier vandaan een doorsnee standvogel, maar twee kilometer is voor een kuifmees een wereldreis. Deze was op avontuur. Dit was een onverwachte zwerver van een soort die normaal zijn broedgebied nauwelijks uit komt. Ja, trektellen zit vol verrassingen.

23 september 2017

donderdag 14 september 2017

Haat en liefde

Het is wel een beetje een haat-liefdeverhouding, mijn relatie met het zeetrekgebeuren. Ik kan niet zonder. Als er een goed wind waait en tientallen pijlen en stormvogels langs de Nederlandse kust afdwalen, bezie ik met jaloezie de vele meldingen en de fantastische foto’s die her en der op internet verschijnen. En als ik weg kan, dan kan ik niet thuis blijven. Maar als ik er dan weer sta, bij west of noordwest zes of meer op dijk of duin, dan denk ik al gauw: waar ben ik aan begonnen? Vanmorgen ook weer: het was toch weer een beetje The Day After. Het woei nog best wel aardig maar (lang) niet half zo hard als gisteren. En er vloog nog wel wat maar (lang) niet half zoveel als de voorbije dagen. In elk geval niet bij Katwijk. Had ik weer eens de verkeerde plek uitgekozen? Maar je hebt niet altijd veel te kiezen: met trein en bus is het een van de weinige opties als je maar een half dagje beschikbaar hebt. Westkapelle is voor mij nog altijd een utopie.
Maar het ergste: ik mis altijd zoveel. Zoveel van wat er vliegt, van wat er wordt omgeroepen, kan ik niet vinden. We stonden nog maar net op de zeetelpost toen een grauwe pijl werd gezien. Neus in de boter, denk je dan, alleen: ik kreeg ‘m niet te pakken. En bijna meteen daarna: noordse pijl naar noord. Niet al te ver en best goed te zien, werd er nog gezegd, precies in een lichte, zonbeschenen baan op zee. Voor mij helaas onvindbaar. En dan kun je nog denken: als er binnen vijf minuten dat je op de telpost staat een grauwe en een noordse pijl worden gezien, dan zal het uiteindelijk nog wel goed komen. Maar daarna lange tijd slechts eenden en steltjes. Talingen, smienten, een goudplevier. Een zeekoet naar noord, een slechtvalk over ons heen, wat grote sterns over zee, liefst drie keer een torenvalk over zee, die moet daar dezer dagen toch aanmerkelijk schaarser zijn dan een pijlstormvogel, en héél ver weg af en toe een paar ondetermineerbare jagers. Het duurde ruim een uur voor er weer een pijlstormvogel werd omgeroepen, een noordse vrij dichtbij naar zuid. En het kostte me toch weer de nodige moeite maar dit keer kreeg ik ‘m te pakken! Af en toe verdween hij in een dal maar steeds kwam-ie verderop weer tevoorschijn. Prachtig. Een iconisch beeld: die zwart-witte vogel die aan lange, wat stijve vleugels laag over de golven snelt, om en om zeilend of fanatiek flapperend. Een echte zeevogel, zo een die alleen bij harde wind in de buurt van de kust komt en die gedachten oproept aan avonturen, aan jongensboeken. En toen even later een mooie grote jager langs vloog en zich tenslotte ook nog een prachtige kleine jager liet zien, dichtbij in of net achter de branding, toen moest ik daar als binnenlandvogelaar die nog altijd weinig gewend is en al vier jaar lang geen noordse pijl meer had gezien, maar gewoon tevreden mee zijn. Het was weer een fijn ochtendje aan zee geweest.

14 september 2017

maandag 11 september 2017

Noord-Holland

Soms in een prettig nazomerzonnetje en soms onder dreigende buienluchten fietste ik van Heiloo naar Schagen, via Egmond Binnen, Bergen, Camperduin en Sint Maarten. Klinkt best wel goed vind ik zelf, al had ik wel de hele dag en in toenemende mate meewind. Bij Hargen aan Zee passeerde ik de plek waar ik ooit mijn eerste morinelplevier in Nederland zag. Later kwam ik langs de plek waar ik, met tientallen samengedrongen op een smal weggetje, mijn eerste rosse waaierstaart zag. Verderop scheidden slechts zeven jaar me van mijn eerste steppekiekendief en bij Petten keek ik neer op het bosje van mijn eerste noordse boszanger.
Dat is een van de charmes van als je al een flink aantal jaren meeloopt als vogelaar: Nederland is langzamerhand bezaaid geraakt met locaties die de meeste mensen niets zullen zeggen maar die voor jou een onuitwisbare betekenis hebben gekregen. Waar anderen gewoon maar een oude, vervallen manege zien, een rietveldje achter de dijk of een boomsingel rond een sportveld, daar zien wij in onze herinnering, scherp alsof-ie er nog steeds zat, die waaierstaart die net zichtbaar was achterin op dat boerenerf. Of die steppekiek, grote zeldzaamheid toen nog, die na uren wachten eindelijk opdook uit het riet. Of die noordse boszanger die midden in dat bosje ineens pal voor me opdook. Vandaag niets van dat al. Vandaag moest ik genoegen nemen met een gestreepte strandloper op een ondergelopen bollenveldje bij Bergen. ‘Genoegen nemen met’, toe maar: prachtige soort, prachtig gezien, een mooie getekende juveniele vogel fraai in het gedempte zonlicht. En met een lachstern bij Petten, ook al zo een. Net toen ik er eens goed voor wilde gaan zitten, me wilde gaan wijden aan de taak de vogel die hier vanmorgen gezien was, terug te vinden, vloog-ie laag over me heen en ging verderop in het filmpje water zitten dat daar de akker bedekte. Eigenlijk weinig reden dus om in het verleden te verdwalen, al is dat natuurlijk altijd prettig.
Ik was de dag wel wat minder succesvol begonnen. Meer dan een uur lang heb ik in een soort zelfbouw-privénatuurterrein lopen zoeken naar en staan wachten op een sperwergrasmus. Vergeefs. Maar wat een plek! Na enig vruchteloos speuren op de openbare weg liet een lokale bewoonster ons toe op dit paradijsje verstopt achter een boomsingel in de Noord-Hollandse polder. Rozenstruiken, meidoorns en vlieren beladen met vruchten, een poeltje met wat flarden riet, zandduintjes en schichtig duingras, een natuurgebiedje in een notendop. Alleen daarom al de moeite waard, sperwergrasmus of geen sperwergrasmus.
Bij Camperduin een uurtje over zee staan kijken. Voor het eerst weer dit seizoen en dat moet nog een keertje over want er vloog vrijwel niets. Een paar grote sterns en ver weg een juveniele jan van gent keilend naar noord. Ik moest het dus doen met gestreepte strandloper en lachstern vandaag. Ach, heel wat dagen moet je met minder genoegen nemen.

10 september 2017

woensdag 6 september 2017

Ondertussen in Veenendaal

Ik had best wel wat draaihalzen misgelopen de laatste tijd dus toen er een werd gemeld op een kilometer van station Veenendaal centrum, kon ik het niet laten: effe de trein naar Veenendaal. Een hit-and-runnetje, hoopte ik natuurlijk, een simpel inkoppertje, dat mocht ook wel weer eens. Dat werd het uiteraard niet. Het werd weer zoeken en zwoegen, zoals dat hoort bij draaihals. Rondje na rondje over een oud, vergeten en woest overwoekerd bedrijfsterrein. Waar je struikelde over de meterslange braamstrengen die kronkelden over de bestrating, waar een oude aanhangwagen wie weet hoe lang al staat te wachten tussen het onkruid, en waar zeeën van ruwe en stekelige planten uit het verweerde beton groeiden: een geweldig stukje verval van wat ooit door menselijke bedrijvigheid tot stand is gebracht. Prachtig. Maar nu nog draaihals. Toen ik zowat een uur later niet verder was dan een paapje en twee boompieper, moest ik vrezen voor mijn zoveelste dip dezer dagen. Mijn zoveelste gemiste draaihals ook; die loop ik vaker mis dan dat ik ze zie. Maar toen zat-ie daar ineens, op amper vijf meter afstand aan de achterkant van een struikje. Alle stukjes draaihals kon ik prachtig en van nabij bekijken, hoewel niet allemaal tegelijk. En al die stukjes draaihals zijn zo subtiel van kleur, zo geraffineerd van tekening en vormen samen zo’n bizarre vogel, dat een ontmoeting met een draaihals op een bepaalde manier altijd een schok is: dat dat echt bestaat! En zo gek veel kans op zo’n ontmoeting krijg je nou ook weer niet. Je zou soms anders denken, vooral tussen pakweg half augustus en half september want dan kunnen ze overal opduiken, maar het blijft een tref om er eentje te vinden en bovendien hebben ze er een handje van zich urenlang schuil te houden. Zoals ik enkele dagen geleden nog heb mogen meemaken toen ik een paar uur vergeefs heb lopen zoeken op Heidestein, heideveldje nabij Driebergen. Waar de vogel pas werd teruggevonden toen ik alweer op weg was naar huis. Ook hier in Veenendaal was-ie geruime tijd zoek, maar uiteindelijk is het me weer eens gelukt.

4 september 2017